Blog

De invloed van positionering en mobilisatie op cuffdrukmanagement

7 oktober 2026

De meeste zorgverleners die werken met mechanisch beademde patiënten kennen de aanbevolen cuffdrukrange van 20-30 cmH₂O. Minder bekend is dat cuffdruk geen statische parameter is. De druk die om 08.00 uur correct wordt gemeten, kan na verzorging of therapie buiten de veilige range liggen.

Dat is klinisch relevant. Een te lage cuffdruk kan bijdragen aan luchtlekkage, microaspiratie en verlies van PEEP. Een te hoge cuffdruk kan leiden tot verminderde mucosale perfusie en luchtwegschade [1-3].

Verschillende determinanten kunnen invloed hebben op cuffdruk. In de vorige blog bespraken we dat ongeveer één op de vijf patiënten mogelijk een anatomische mismatch heeft tussen cuff en luchtweg, waardoor een adequate seal in deze relevante minderheid van de patiënten niet eenvoudig binnen de traditionele cuffdrukrange bereikt kan worden [4,5]. Positionering is ook een belangrijke determinant die cuffdruk kan beïnvloeden. En dit is echter geen probleem van die 20% alleen. Dit onderwerp raakt vrijwel iedere mechanisch beademde patiënt.

Diverse studies hebben laten zien dat positionering een belangrijke determinant is van cuffdrukveranderingen. In deze blog belichten we drie onderzoeken die bijgedragen aan ons begrip van dit fenomeen: de studies van Lizy, Okgun en Tok [6-8].

Lizy et al. (2014)

Wat onderzochten de auteurs?
Lizy et al. onderzochten bij mechanisch beademde IC-patiënten wat er gebeurt met de cuffdruk nadat patiënten in verschillende routinematige houdingen worden gebracht. Voor iedere positieverandering werd de cuffdruk eerst opnieuw ingesteld op 25 cmH₂O [6].

Wat vonden ze?
De resultaten waren opvallend:

Bij ruim vier op de tien positieveranderingen bevond de cuffdruk zich na de beweging niet meer binnen de aanbevolen veiligheidsrange.

Wat deze studie zo sterk maakt, is dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden. Er was geen prone positioning, transport of complexe procedure. Het ging simpelweg om routinematige verpleegkundige zorg.

Tok et al. (2024)

Wat onderzochten de auteurs?
Tok et al. vergeleken verschillende klinisch relevante patiëntposities:

Wat vonden ze?
Alle onderzochte houdingen beïnvloedden de cuffdruk, maar niet in gelijke mate. De grootste stijgingen werden gezien bij prone positioning, laterale positionering, lithotomiepositie [8]. De auteurs rapporteerden significante cuffdrukstijgingen ten opzichte van de uitgangssituatie, waarbij buikligging consequent de hoogste waarden liet zien [8].

Waarom is dit interessant?
Deze bevinding verdient aandacht. Juist de patiënten die langdurig in buikligging worden behandeld zijn vaak ernstig ziek, langdurig beademd, afhankelijk van optimale sealing en gevoelig voor microaspiratie. Een positie die gunstig is voor de gaswisseling kan tegelijkertijd belangrijke gevolgen hebben voor cuffdrukmanagement.

Okgun Alcan et al. (2017)

Wat onderzochten de auteurs?
Okgun Alcan et al. onderzochten het effect van verschillende bedposities op de cuffdruk van kritisch zieke mechanisch beademde patiënten [7]. Onder andere de volgende houdingen werden geëvalueerd:

Wat vonden ze?
Vrijwel iedere positieverandering resulteerde in significante veranderingen van de cuffdruk. Met name laterale positionering en veranderingen van de hoofdpositie veroorzaakten duidelijke afwijkingen ten opzichte van de uitgangssituatie. Bij meerdere patiënten werden daarbij cuffdrukken boven de aanbevolen bovengrens van 30 cmH₂O gemeten [7].

Waarom is dit interessant?
Deze studie laat zien dat niet alleen grote draaiprocedures relevant zijn. Ook relatief kleine veranderingen, zoals hoofdrotatie, nekpositie en verandering van bedhoek kunnen de relatie tussen cuff en luchtweg beïnvloeden. Daarmee verandert de manier waarop we naar cuffdruk kijken.

De cuffdruk is geen vaste patiëntkarakteristiek. De cuffdruk is een dynamische parameter.

Een belangrijke beperking van de huidige positioneringsliteratuur is dat het overgrote deel van de studies werd uitgevoerd bij patiënten met een endotracheale tube. Voor patiënten met een tracheacanule beschikken we over aanzienlijk minder gegevens. Echter is ook voor patiënten met een tracheacanule de relatie tussen positie, cuffdruk en seal minstens zo relevant als bij endotracheale tubes.

Opvallend is dat vrijwel alle positioneringsstudies zijn uitgevoerd binnen een model van intermitterende cuffdrukmetingen. De studies van Lizy, Okgun Alcan en Tok laten zien dat cuffdruk dynamisch is. De studies naar continue cuffdrukcontrole laten vervolgens zien dat deze dynamiek beter kan worden opgevangen door drukverlies en drukpieken vroegtijdig te corrigeren [9-12].

Meta-analyses tonen consequent aan dat continue systemen:

De multicenter RCT van Wu et al. liet zien dat de cuffdruk bij continue monitoring gedurende 96,9% van de observaties binnen de doelrange bleef, tegenover 70,7% bij intermitterende controle [11]. Dat betekent niet dat continue systemen alle problemen oplossen. Een anatomische mismatch tussen cuff en luchtweg blijft een anatomische mismatch, zoals besproken in de blog: Van cuffdrukmanagement naar cuff-fit management - Atos Medical’ [4,5].

Maar voor het overgrote deel van de patiënten kunnen continue systemen wel helpen om de gevolgen van mobilisatie, wisselligging, positionering, bij endotracheale tube de prone positioning en dagelijkse zorgactiviteiten op te vangen voordat deze klinisch relevant worden.

Waar de blog 'Van cuffdrukmanagement naar cuff-fit management' vooral ging over de relevante minderheid van patiënten waarbij anatomie, luchtweggeometrie en cuff-fit de belangrijkste rol lijken te spelen, laat deze literatuur zien dat positie-gerelateerde cuffdrukveranderingen een uitdaging vormen voor bijna alle patiënten. Juist daar ligt waarschijnlijk de grootste kracht van moderne continue cuffdruksystemen. Niet omdat ze een perfecte seal garanderen, maar omdat zij erkennen dat cuffdruk geen momentopname is, maar een dynamisch fysiologisch proces dat voortdurend verandert terwijl wij voor onze patiënten zorgen.

De Tracoe Smart Cuff Manager stelt een norm op het gebied van patiëntveiligheid door de cuffdruk continu te reguleren. Het systeem is eenvoudig in gebruik en biedt een visuele bevestiging van een optimale cuffdruk, waardoor zorgverleners zowel in het ziekenhuis als in de thuissituatie worden ondersteund.
Het apparaat bewaakt en reguleert continu de druk in lagedrukcuffs (High-Volume Low-Pressure cuffs) van zowel tracheostomietubes als endotracheale tubes. Hierdoor wordt een stabiele cuffdruk gehandhaafd, wat bijdraagt aan een veilige en effectieve luchtwegzorg.

Tracoe Smart Cuff Manager

Automatische bewaking en regulatie van de cuffdruk voor een veilige en stabiele luchtwegzorg. Helpt een te hoge of te lage cuffdruk te voorkomen.

Tracoe Smart Cuff Manager
Tracoe Smart Cuff Manager

Referenties